"JE MERKT OPNIEUW EEN AANZUIGKRACHT VAN DE STAD, WAARBIJ MOBILITEIT –EN HET ZUINIG OMSPRINGEN MET DIE MOBILITEIT– EEN GROTERE ROL GAAT SPELEN." - JO BERBEN

Genk onderging de laatste jaren een ware transformatie. De stad is geëvolueerd van ‘mijnstad’ naar een aantrekkelijke pool voor wonen en werken. Daarnaast valt de stad op door de herbestemming van haar mijnpatrimonium tot onder meer een multifunctioneel platform voor cultuur -en kunstdoeleinden.


Genk beschikt over een interessante periferie waar zich voormalige industriële sites bevinden met een enorm potentieel. De stad is momenteel bezig met deze uitgebreide complexen een duurzame herbestemming te geven.
De realisatie van het masterplan C-Mine (51N4E) , een voormalige mijnsite, zorgt voor een ware aantrekkingspool voor culturele en wetenschappelijke activiteiten. Tal van nevenprojecten vinden op C-mine hun thuishaven. De MAD-faculty (BOGDAN & VAN BROECK Architects) en Stockmansblauw (Team Herman Van Meer Architecten & co) zijn vroege getuigen van deze evolutie. De realisatie van de site Waterschei, een deel van het bedrijf –en wetenschapsgebied Thor Park, zal dan weer een economische impuls geven aan de regio.
Daarnaast trekt Genk ook de kaart van groepswoningbouw. Het sociale appartementencomplex & OCMW-dienstencentrum De Steymer (Lava architecten) is een mooi voorbeeld van collectief wonen in een verdichte context.

ARCHITEC­TURALE BI-POOL

Genk en Hasselt slaan steeds meer de handen in elkaar om kwalitatief hoogstaande architectuur en kunst in de provincie Limburg te stimuleren. Een evolutie die ondermeer door Jo Berben, architect (a2o-architecten) en docent aan het departement Architectuur van de Provinciale Hogeschool Limburg, met enthousiasme wordt onthaald. "Je kan vandaag spreken van een culturele as, die start in Kunsten­centrum Z33 in Hasselt, en helemaal wordt doorgetrokken tot in C-Mine in Genk."

Hasselt en Genk kennen van oudsher een rivaliteit waarbij men elkaar de loef wil afsteken. Terwijl deze wedloop in de politieke arena sporadisch het nodige stof doet opwaaien, groeien de Limburgse steden op vlak van kunst en architectuur alsmaar dichter naar elkaar.

"Het is ooit anders geweest", zegt Jo Berben, wanneer hij het heeft over de architecturale kruisbestuiving tussen Genk en Hasselt. Vroeger hadden beide steden hun eigen politieke én architecturale agenda, wat dikwijls resulteerde in een architectuur die in grote mate beantwoordde aan het imago en de economische activiteit van elke stad.
Volgens Berben was het Hasselt dat als eerste het roer heeft omgegooid, naar een meer innovatieve architectuur en stads­ontwikkeling. "Hasselt kende vroeger een hoog 'Anton Pieck-gehalte' dat gekenmerkt werd door brave, behoudsgezinde architectuur. De laatste decennia merk je dat de stad dit juk heeft afgeworpen en er een frisse architecturale wind waait. Concreet krijgt dit gestalte in een nieuwe infrastructuur en pleinen, creatieve inbreidingsprojecten en grote openbare bouwprojecten.

Maar Genk is deze 'achterstand' vandaag ruimschoots aan het inhalen. De stad trekt hiervoor enerzijds de kaart van 'inbreiding' met als doel het centrum te herwaarderen. Daarnaast beschikt Genk over een zeer interessante periferie waar zich voormalige industriële sites bevinden met een enorm potentieel. Berben wijst hierbij op het ruimtelijk voordeel dat Genk heeft ten opzichte van Hasselt, dat over minder speelruimte beschikt door de hogere graad van verdichting. "Genk is momenteel heel sterk bezig met deze uitgebreide complexen een duurzame herbestemming te geven." Het beste product van dit beleid is uiteraard de site C-Mine, dat tevens ruimte voorziet voor andere projecten. Voor Jo Berben zijn de mooiste 'subprojecten' die hieruit zijn voorgekomen de gloednieuwe MAD-faculty (Bogdan & Van Broeck Architects) en het nieuwe cultuurcentrum (51N4E).

Berben heeft het over een zogenaamde 'bi-pool' wanneer hij refereert naar de culturele en architecturale brug die wordt geslagen tussen Genk en Hasselt. De rivaliteit van vroeger heeft plaatsgemaakt voor een vruchtbare samenwerking. "Je kan zelfs spreken van een culturele as, die start in Kunstencentrum Z33 (Hasselt) en helemaal wordt doorgetrokken tot in C-Mine (Genk)", aldus een overtuigde Berben. Een 'architecturale bi-pool' die niet alleen zorgt voor onderlinge kruisbestuiving, maar ook een positieve invloed uitoefent op het hele gebied tussen Genk en Hasselt. Kleinere nabijgelegen steden lijken de vruchten te plukken van deze artistieke en architecturale boost. Berben: "Een goed voorbeeld is Tongeren, dat met de uitbreiding van het Gallo-Romeins museum (architectenbureau De Gregorio & Partners) een museale parel heeft neergezet."

Ook op stedenbouwkundig niveau is er sprake van een kentering. Limburgse steden kiezen meer en meer voor een duurzame stadsontwikkeling. Volgens Berben merk je dat zowel in de grotere als in de kleinere steden zoals Sint-Truiden of Lommel. Er is een grotere neiging is tot 'inbreiding'. "Men stopt bijvoorbeeld met het verder verkavelen van tussenruimtes. Je merkt opnieuw een aanzuigkracht van de stad, waarbij mobiliteit – en het zuinig omspringen met die mobiliteit – een grotere rol gaat spelen."

Voorbeelden hiervan zijn de toenemende ontwikkelingen rond stations. Als voorbeeld geldt het stationsgebied in Hasselt (masterplan van WEST8). De levenskwaliteit wordt er bevorderd door de integratie van een nieuw gerechtsgebouw (een samenwerking van het Duitse bureau Mayer met de Vlaamse bureaus Lens en a2o-architecten), een nieuwe groene zone en de bouw van een groepswoningbouwproject –aan de overzijde van het spoor in Runkst.

 

Limburg schrijft eigen architectuurverhaal

Op de vraag wat de voornaamste ontwikkelingen zullen zijn in het Limburg van de nabije toekomst, legt Berben de nadruk op drie grootschalige projecten.
De realisatie van de site 'Waterschei' in Genk, een deel van het Thor Park, zal volgens de architect, een economische en architecturale impuls geven aan de regio. "Als ik zie welke onderwijsnetten en architecten hieraan meewerken, dan kunnen daar alleen maar mooie gebouwen uit komen."

Niet alleen in het onderwijs zitten er grote projecten aan te komen, ook in de Limburgse gezondheidszorg zijn er, in het kader van de centralisatie en samenwerking, heel wat bouwplannen.
Een derde interessante ontwikkeling zijn de sites aan het station en de kanaalkom in Hasselt. Berben: "Nieuwe vormen en woon-werktypologieën worden hier ontwikkeld. Deze sites bepalen mee de ruimtelijke en economische toekomst van de stad."

 

Euregio Maas-Rijn

Daarnaast vestigt hij de aandacht op de verdere culturele en wetenschappelijke uitwisselingen in de zogenaamde 'Euregio Maas-Rijn'. Concreet gaat het om een grensoverschrijdende samenwerking in het gebied rond de zeshoek Hasselt-Maastricht-Luik-Aken-Heerlen-Eupen. Het stimuleren van crossnationale contacten op gebied van architectuur is een reactie op de dominante positie van de zogenaamde 'ruit' van Vlaanderen (Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven), waar Limburg buiten valt. Berben verwijst onder meer naar de euregionale samenwerking rond architectuur, met als voornaamste product de EAP (Euregionale Architectuur Prijs). Die prijs wordt jaarlijks uitgereikt door door Schunk in Heerlen (NL). "Vanuit het hoger onderwijs in Limburg en vanuit lokale organisaties zoals Architectuurwijzer gaat er bijzonder veel aandacht naar de ontwikkelingen rond de euregiozone", constateert Berben.

Verder is het volgens Berben vooral cruciaal dat Limburg verder ontwikkelt conform haar schaal: "Voor Hasselt en Genk is het vooral van belang om zich niet te willen spiegelen aan grote steden als Antwerpen, Gent en Brussel.
Kleinere steden zoals Bilzen, Neerpelt en Sint Truiden moeten op hun beurt onafhankelijk kunnen ontwikkelen, zonder daarvoor Hasselt en Genk te willen bijtreden. Het is belangrijk dat Limburg haar eigen architectuurverhaal schrijft." (EV)